Dit verhaal heb ik geschreven voor het innerlijk kind van iemand
die aangaf als twintigjarige het volgende het meest
te hebben gemist:
geborgenheid en een duidelijk idee van hoe zij haar toekomst wilde vormgeven.
Het Pad
Ergens, op een magische plek, ver, ver weg, leeft een héél klein volkje, het boselfenvolk. Soms, als je
in het donker in de verte tuurt en je ziet hele kleine lichtpuntjes, zou het zomaar kunnen zijn dat zij
het zijn! Eén van hen is Neya, geboren in de top van een reuze dennenboom. Als zij vliegt, dan laten
haar vleugels een spoor van twinkellichtjes na en de zachtste zonnestraal of kleinste kever tovert al
een lach op haar gezicht. Ze is blij, ondeugend en nieuwsgierig en wil het liefst de hele wereld
ontdekken. Ze houdt van de kracht van de aarde, voelt zich verbonden met de bomen en kijkt vol
ontzag en verlangen naar de bergen. Haar vader is de Elf van de Zon, haar moeder de Elf van de
Regen. En dat dát zo is, bewijzen haar vleugels. Die zijn net als een regenboog en hebben dezelfde
prachtige kleuren en misschien nog wel meer. Van kleins af aan kun je aan haar vleugels precies zien
hoe zij zich voelt: is ze blij, dan kleuren zij uitbundig rood, is ze verdrietig, dan verbleken zij tot
troosteloos grijs. Ze houdt van de dieren in het bos en de dieren houden op hun beurt van haar.
Toch bekruipt Neya regelmatig een onrustig gevoel. Ze weet niet precies of dit angst is of verdriet.
Misschien wel een beetje van allebei. Soms vliegt ze van boom tot boom, zonder
bestemming, zonder doel. De oude eik zei ooit tegen haar: ‘Lieve Neya, volg ALTIJD je EIGEN pad,
waar je ook gaat!’. Maar het is knap lastig, ontdekte ze al snel, een pad te volgen als je vliegt. Wel
had ze gezien dat beneden op de bosgrond allemaal paden liepen, ook het bos uit, de bergen in. Dus
had ze haar vleugels glad gestreken en haar geluk beproefd te voet. En ja, eerlijk is eerlijk, het pad
was zo wél duidelijk. 'Maar', dacht zij, 'ik ben een ELF! Ik ben geboren om te vliegen! Waarom heeft
de natuur mij anders vleugels gegeven?' En dus had zij haar vleugels uitgeslagen en de
hoogte weer opgezocht.
Hoe blij ze van nature ook is, er is altijd dat knagende gevoel van gemis. Haar vader is zo krachtig in
zijn straling, dat je hem op een kilometer afstand nóg kan voelen. En haar moeder strooit met regen
alsof haar water nooit opraakt. Zij zijn echter zo druk bezig met stralen en strooien, dat zij vergeten
dat Neya ook aandacht nodig heeft. Natuurlijk gaat Neya er regelmatig op uit met haar vriend Gonzji
de Bij of haar vriendin Siffra de Krekel. Maar die kunnen haar ook niet verder helpen op haar
zoektocht naar haar pad. Soms zit Neya ’s avonds in de schemering te schommelen op een tak en
denkt na over wie zij is, diep van binnen, en al het moois dat zij in haar leven zou willen doen.
Vervelen doet zij zich niet, daarvoor vindt ze veel te veel dingen leuk. Maar dat maakt het ook wel
weer heel erg moeilijk om te kiezen. Wat zou het fijn zijn als pap hier eens zijn licht op zou laten
schijnen of als mam met een flinke regenbui de lucht zou kunnen klaren. Als er IEMAND was die een
arm om haar heen zou slaan en met haar mee zou mijmeren. Natuurlijk stelt zij zichzelf ook vragen
en probeert daar dan weer een antwoord op te verzinnen. Maar het zou zo heerlijk zijn als er eens
iemand anders was die haar een vraag zou stellen. Gewoon een simpele vraag. Zoiets als: 'Neya,
waar hou je van? Waar gaat jouw elfenhart sneller van kloppen? Neya, wat WIL je? Wat zou je het
állerliefste doen?' Ze zucht en een traan rolt over haar wang. Hoe kan ze nu ooit haar pad vinden als
ze vergeten is wie ze IS?
Die nacht wordt Neya wakker van een oorverdovend kabaal. De aarde schudt, de lucht kleurt
oranjerood. Iedereen om haar heen lijkt in paniek:
de bomen, de elfen, de bloemen, de insecten.
Zelfs de sterren lijken te beven. Neya schiet omhoog naar het topje van haar boom en tuurt met
samengeknepen ogen in de verte. Door de rookwolken heen ziet zij dat de anders zo
sprookjesachtige bergen zijn veranderd in vuurspuwende monsters. De hitte is bijna onhoudbaar.
Wie vluchten kan, vlucht, en rent en vliegt voor zijn leven. Ze meent de stem van haar vriendin Siffra
de Krekel te herkennen: 'Neya, kom mee, SNEL!'
Maar Neya blijft waar zij is, gefascineerd door wat zij ziet. Zij kijkt en voelt en voelt en kijkt. En alsof
zij gedragen wordt, aangetrokken door het vuur, begint zij te vliegen, tegen de stroom elfen en
insecten in. Zij vliegt en vliegt, hoger en hoger. Tot zij alleen nog maar berg ziet, oog in oog zweeft
met de vuurspuwende vulkaan, bijna één wordt met de vulkaan. De hitte lijkt haar niet te raken, alsof
haar vleugels gemaakt zijn van hittebestendige wax. Ze kan niet anders dan HIER NU ZIJN.
Even kijkt ze naar beneden, naar de golven lava die ver beneden haar de berg af denderen. Als zij
haar ogen weer opslaat, stokt haar adem in haar keel. De vuurbal die uit de opening van de berg
ontspringt, is veranderd in een prachtige gedaante. Plotseling kijkt ze recht in de ogen van een elf.
Een elf, geheel en volledig gemaakt uit vuur. 'Welkom Neya, ik had je al verwacht', spreekt de
vuurelf op vriendelijke toon. 'Ik wist dat je zou komen en dat je nieuwsgierigheid groter zou zijn dan
je angst. Hoe wist je door alle rook heen zo precies waar je heen moest vliegen?' 'Dat eh… dat ging
vanzelf', zegt Neya, verbaasd over haar eigen daad. 'Ik ging gewoon, volgde mijn gevoel, mijn
intuïtie. Het was ook alsof ik hier naartoe getrokken werd, alsof er geen andere weg dan deze
mogelijk was.' De vuurelf glimlacht. 'En WAT precies was het dan, dat je zo sterk hier naartoe trok?'
Neya’s buik borrelt en geeft haar antwoord. 'Het meest mijn NIEUWSGIERIGHEID', grijnst Neya, 'die
is bijna nog groter dan ik zelf. En wat IN die nieuwsgierigheid zit, is een HEEL groot verlangen. Een
verlangen om te WETEN, te ONTDEKKEN en te VOELEN. Het verlangen ook om mijn hele EIGEN
weg te volgen en bij te dragen aan de LIEFDE in de wereld!'
'Dat is JOUW kompas, Neya', zegt de vuurelf bedachtzaam. 'VOLG je nieuwsgierigheid, VOLG je
verlangen, en je zult JOUW pad vliegen en WETEN waar je heen wilt. Het is JOUW kracht, die jou
tegen de stroom in doet gaan, die jou je eigen pad doet volgen.' Neya haalt diep adem en gloeit van
top tot teen. Haar lichaam voelt als één grote, brede glimlach. Haar wangen voelen warm en haar
tenen tintelen. 'Als je je eens voorstelt dat IK jouw spiegel ben', zegt de vuurelf weer, 'wat zie je
dan?' 'KRACHT', antwoordt Neya resoluut. 'Liefdevolle kracht. Passie ook, vastberadenheid en
zelfvertrouwen.' In AL haar elfencellen kan ze dit voelen. 'Heel goed', zegt de vuurelf, 'DIT ben jij!'
En hoe bewuster je dat iedere dag ervaart, hoe beter jij andere wezens op jouw pad kunt helpen.
Hoe meer JIJ van JEZELF houdt, hoe meer jij óók van ANDEREN kunt houden!'
'Ik geloof dat ik de boodschap begrepen heb, lieve vuurelf', zegt Neya zacht. 'Duizend maal dank
voor wat je me hebt laten zien. Hoe heet je eigenlijk?' 'Ik heet Vuro', glimlacht Vuro, geamuseerd
door Neya’s nieuwsgierigheid. En toen weer ernstig: 'Voor ik het vergeet, Neya, wees niet boos of
verdrietig om je pap en mam. Zij hebben je gegeven wat zij KONDEN geven. En zij hebben er juist op
die manier voor gezorgd dat jij NU bent wie je BENT: een prachtige elf, die heel veel liefde te geven
heeft en bovendien precies weet wat zij wil!' Neya zucht en knikt. In gedachten ziet zij haar stralende
pap en stromende mam en een warm gevoel bekruipt haar. Dit zijn haar ouders, HAAR bijzondere
ouders, wiens stralende en stromende genen ZIJ draagt. 'O, en nog iets', roept Vuro, terwijl Neya
zich al omgedraaid heeft om terug te vliegen. 'Als je verder nog antwoorden zoekt, stel je dan voor
dat JIJ een vulkaan bent en de LAVA jouw antwoorden. Je hoeft je maar op je borrelende buik te
concentreren en de antwoorden stromen zo vanuit je buik omhoog!' Nog eenmaal kijkt Neya
dankbaar om. 'Je zult altijd in mijn hart blijven, lieve Vuro, en ik kom zeker nog een keer bij je langs
om je alles te vertellen over mijn pad en mijn Grote Avontuur!'
In een mum van tijd is ze terug bij het bos. Ze had vuur verwacht, roet, en een geheel verlaten plek. Maar
alles ligt erbij alsof er nooit iets is gebeurd. In plaats van naar haar eigen boom te vliegen, vliegt ze
rechtstreeks door naar haar vriend Gonzji de Bij. 'Gonzji, Gonzji, word wakker!', sist ze, kloppend
tegen de schors van de boom. Slaperig steekt Gonzji zijn voelsprieten om de hoek. 'Wat is er? Wat
gebeurt er? Moet ik er al uit?' Neya snapt er niets van. 'Gonzji, heb je dan niets gemerkt van een
brand?' Meewarig kijkt Gonzji haar aan. 'Brand? Hier?' Hij kijkt met slaapdronken ogen de
schemering in. Voor zover zijn ogen kunnen zien, lijkt alles nog precies zoals gisteravond, toen hij zijn
hol in kroop. Hij murmelt wat, zegt 'Welterusten Neya, tot morgen' en kruipt snel zijn hol weer in.
Met een groot vraagteken boven haar hoofd vliegt Neya door naar haar vriendin Siffra de Krekel. Al
van verre kan ze haar horen snirpen (dat houdt het midden tussen snurken en tjirpen). Ze aarzelt.
Als ook Siffra nog rustig ligt te slapen, dan is alles misschien wel een droom geweest.
Nog steeds diep onder de indruk, maar met een blij gevoel in haar lijfje, vliegt Neya twinkelend door
naar haar eigen holletje, hoog in de dennenboom. Op haar tenen loopt Neya naar het bed van haar
ouders, die warm tegen elkaar aan gekropen liggen te slapen. 'Dankjewel pap, voor dat schitterende
zonlicht in mijn leven. Jij hebt me geleerd hoe ik kan stralen, als een evenbeeld van de zon!',
fluistert Neya zachtjes. 'En dankjewel mam, voor alle prachtige regendruppels. Jij hebt me geleerd
hoe ik kan huilen, van vreugde en van verdriet!' De nachtelijke reis heeft Neya zo moe gemaakt, dat
ze binnen een minuut nadat ze haar bed in glijdt, in een diepe slaap belandt.
Als in de ochtend de eerste zonnestralen op haar kussen vallen, knippert Neya met haar ogen en kijkt
om zich heen. Met nog altijd een licht gevoel van opwinding mijmert zij over haar nachtelijke
avontuur. Dit is nog eens LEVEN, zo GEBEURT er tenminste iets! Toch merkt ze aan haar lijfje dat alles
een beetje dubbel voelt. Aan de ene kant de tinteling van het avontuur en alle mooie ontdekkingen
in zichzelf. Aan de andere kant het En nu?–gevoel, dat langzaam maar zeker haar buik in kruipt. Of
zit dat in haar hoofd? En is het misschien geen gevoel, zoals de tinteling, maar meer een gedachte,
een idee?
Ze haalt DIEP adem en voelt even heel bewust wat haar buik haar te vertellen heeft. 'Is het niet
geweldig?', roept haar buik. 'Alles is mogelijk, Neya. Echt ALLES! Dit soort avonturen wil ik iedere
nacht wel meemaken. Ik stroom, ik straal, IK LEEF!!!' En een explosie van tintelingen golft weer
door haar heen. 'Ho, ho, ho! WACHT eens even!!!', roept haar hoofd. 'Dat gaat zómaar niet! Besef
je wel dat je alles gedróómd hebt, Neya? Natuurlijk klinkt dat allemaal prachtig, vuurelfen en
vulkaanuitbarstingen. Maar Neya toch, hoe oud ben je nu? Jouw fantasie is wel heel erg groot!' De
aanvankelijke glimlach waarmee Neya wakker was geworden, glijdt van haar gezicht. 'Tsja', zucht ze,
'dit was ook wel te mooi voor woorden.' 'Maar, maar, maar je KRACHT dan Neya, die je vannacht
zo goed kon voelen en je PAD en…', roept haar buik ontsteld, voordat hij in de rede gevallen wordt
door haar hoofd. 'Shhht!', sist haar hoofd. 'Droom JIJ nu maar verder, naïeve Buik. Neya is nu
wakker en ziet alles gelukkig weer helder. We gaan gewoon verder zoals we iedere dag deden en
daarmee KLAAR!' Neya snapt helemaal niets meer van zichzelf. Haar ene deel spreekt haar andere
tegen. 'Als het zo moet, dan kan ik misschien maar beter helemáál niet meer naar mezelf luisteren.
Ik ben ’t tóch niet eens met mezelf…', denkt ze verdrietig.
Het is zondag en de dag doet zijn naam eer aan met alle schitterende stralen die tussen de bladeren
van de bomen heen op de bosgrond schijnen. Neya voelt zich gespannen en verdrietig, terwijl ze
zomaar wat door het bos heen vliegt. Even leek alles helemaal helder. En nu blijkt alles een droom,
blijkt ze alles te hebben verzonnen. Ze is zo in gedachten verzonken, dat ze niet doorheeft hoe ze
geroepen wordt. 'Neya! Wat is er met je? Hoor je me niet?' Geschrokken kijkt ze omlaag. 'Hé,
Durbi!', roept ze opgetogen naar haar grote vriend, de Mol. Ze neemt een duikvlucht naar beneden
en strijkt neer naast de ingang van zijn hol. Durbi knijpt zijn ogen samen tegen het zonlicht.
'Wat zit je dwars, Neya?', vraagt hij na enige tijd, terwijl hij zijn staart om haar rug heen krult. 'Ik
VOEL aan mijn snorharen dat er iets met je is.' Neya zakt in het mos. De tranen rollen over haar
wangen. Met horten en stoten vertelt zij alles wat zij die nacht heeft meegemaakt. Over hoe mooi
haar reis is geweest en hoe spannend haar ontmoeting met Vuro. En over hoe alles nog hetzelfde
bleek toen zij weer terugkwam in het bos. En over de woordenwisseling tussen haar buik en haar
hoofd. En nu zit ze hier en weet ze het allemaal niet meer.
Durbi heeft al die tijd stil zitten luisteren. 'Wat zou je graag WILLEN, Neya?', vraagt hij zachtjes. 'Ik
zou willen', snikt Neya, 'dat alles wáár is wat ik vannacht heb meegemaakt. Dat het wáár is wat mijn
buik zegt. Maar mijn HOOFD is het er niet mee eens!' 'Hmm', mompelt Durbi, 'je hoofd is het er
niet mee eens. En ehm, waar is je hoofd precies BANG voor dan?' Neya haalt haar schouders op.
'Hoofd, waar ben je bang voor?', vraagt ze dan maar. De gedachten vliegen door elkaar heen en
Neya verstaat er helemaal niets van. 'HOOFD!', roept ze, 'STOP!'. De gedachten dwarrelen neer als
blaadjes van een boom. 'Oké, nóg een keer', zegt Neya. 'Hoofd, zeg me in één woord: wat is er zo
eng aan, als IK geloof wat ik WIL geloven?' Haar hoofd zucht en zucht nog eens. 'Teveel', zegt haar
hoofd tenslotte. 'Het is allemaal teveel om te kunnen snappen. En zeker als jij dan ook nog eens
gelooft in oneindigheid. Dat betekent dat ik álles moet kunnen snappen. ALLES! Welk hoofd kan dat
nu?' Haar hoofd ziet er verhit uit.
'Is DAT ‘t?', vraagt Neya verbaasd. 'Maar lief Hoofd, je HOEFT toch niet alles te snappen!' Haar
hoofd sputtert. 'Ja, dat zeg JIJ. Maar ik ben niet voor niets een HOOFD. Een hoofd is gemaakt om
dingen te snappen. En hoe meer JIJ gelooft, hoe meer IK moet snappen!' Nu is het tijd voor Durbi om
in te grijpen. 'Ik geloof, Hoofd, dat ik het toch anders zie', zegt Durbi, die met zijn ogen weliswaar
niet zoveel ziet, maar des te meer diep van binnen. 'Om te GELOVEN, Hoofd', zegt Durbi
bedachtzaam, 'HOEF je niet te denken, en óók niet te snappen. Geloven, dat is eigenlijk alleen maar
iets waar je je aan OVER hoeft te geven.' Neya’s hoofd denkt even na ( want dat is zij nu eenmaal
gewend ). 'Dus ik hoef helemáál niet meer te denken en te snappen?', vraagt zij vertwijfeld. 'Jawel,
natuurlijk wel. Sterker nog, daar ben jij hartstikke goed in!', antwoordt Durbi. Neya’s hoofd gloeit
even van trots, na zo’n groot compliment. Waarop Durbi zich richt tot Neya’s buik: 'En zo ben JIJ een
expert, Buik, als het gaat om VOELEN!' Ook Neya’s buik krijgt een blos van trots. 'Echter, voor jullie
allebei gaat het erom óók te GELOVEN.'
'Maar dat moet je dan wel DURVEN!', roept Neya’s hoofd. En haar buik zegt vol overtuiging: 'O,
maar ik geloof dat IK wel geloof. Kijk maar naar vannacht. Ik geloofde ALLES!' Neya’s hoofd schraapt
haar keel en spreekt tot haar buik: 'Dus als ik het goed begrijp, Buik, dan ben jij dus NIET bang om te
geloven.' Haar buik schudt driftig van nee. 'Helemaal niet. En ik zal je mijn geheim verklappen.' Het
is stil. 'Nou, vertel dan!', zegt Hoofd ongeduldig. Waarop Buik gewichtig vervolgt: 'Weet je naar
wie ik ALTIJD luister? Waar ik ook ben, zelfs in mijn slaap?' Hoofd denkt na. 'Naar de wind? Naar de
krekels? Naar eh… ', zij weet niets meer te verzinnen. 'Naar Neya’s HART', zegt Buik. 'Neya’s hart zit
zó vol met liefde, dat het dagelijks overstroomt en dus ook mij vervult. En dat is niet zomaar liefde,
nee, dat is ONVOORWAARDELIJKE liefde.'
'Tsjee…', zegt Hoofd, diep onder de indruk. 'Dat klinkt wel heel mooi. Maar ehm…', zegt zij een
beetje verlegen, 'wat betekent dat precies: onvoorwaardelijke liefde?' Neya’s hart begint blij te
bonken en maakt een sprongetje van geluk. 'Lief Hoofd, voor het eerst in mijn leven vraag je naar
MIJ!!! Ik zal ’t je uitleggen, Hoofd. Onvoorwaardelijke liefde betekent eigenlijk heel eenvoudig dat
alles goed is zoals het is. Dat betekent dat je MAG geloven. Dat je blij mag zijn met wie je BENT en
met wat je DOET en KUNT. Dat je nieuwsgierig mag zijn en mag verlangen. Dat je je eigen pad mag volgen,
waar dat dan ook heen leidt. En tot slot…', Neya’s hart wacht even, 'tot slot is het volgende héél
belangrijk. En vóór ik zeg wat dat is, wil ik dat jullie HEEL goed luisteren, Hoofd en Buik. En dat jullie
beloven dit voor ALTIJD in je cellen op te slaan.' Neya’s hoofd en buik knikken vol verwachting en
ook Durbi spitst zijn snorharen.
'Wat jullie ALTIJD en OVERAL mogen geloven, is dat WONDEREN BESTAAN! Niets is onmogelijk,
alles kan. ALS JE MAAR GELOOFT!'
Plotseling is het alsof alles in Neya begint te bewegen. Alsof de energie van haar hoofd, haar buik en
haar hart kris kras door elkaar heen stromen en met hun wijsheid haar hele lijfje opvullen. Alles in
haar kriebelt, gloeit en tintelt. 'Ik geloof, Durbi', zegt Neya lachend, 'dat het tijd is dat ik mijn
verlangen volg! Ik weet NU dat dát mijn pad is. Mijn verlangen is mijn routekaart!' Durbi klapt in zijn
handen van vreugde, bij het voelen van zoveel blijheid en overwinning.
'Dankjewel, lieve Durbi', zegt Neya, terwijl ze met haar hand over zijn snoet aait. 'Dankjewel dat je
er voor me bent als ik je nodig heb!' Durbi slikt. 'Graag gedaan, lieve Neya. Je weet ’t hè: je kunt
altijd bij me terecht. Op één voorwaarde', grapt hij. 'Als er een wonder gebeurt, dan ben ik de
eerste die het hoort!' Hij krabt achter zijn oor en gaapt lang en luid. 'IK verlang naar mijn donkere
hol! Waar verlang JIJ naar?' Neya knipoogt naar de zon en snuift de geuren op van de bosgrond en
de bloemen om haar heen. En zichtbaar genietend zegt ze: 'IK, Durbi, IK verlang naar LIEFDE. Ik wil
liefde VOELEN en liefde DOORGEVEN. Dat is wat IK graag wil. En dat is wat ik van NU af aan IEDERE
dag opnieuw ga DOEN!!'