Healing Stories
mandarijn
Amsterdam tuinen

The joy of together

Healing Story for the Ten year old

Dit verhaal heb ik geschreven voor het innerlijk kind van iemand die aangaf als tienjarige veel te hebben gemist:
veiligheid, zekerheid, liefdevolle aandacht, zelfvertrouwen, gezelligheid en plezier.




De Huilende Heuvel

Er leefde eens een kleine prinses in een groot kasteel. Het kasteel stond op een enorme groene heuvel. De mensen in het dorp noemden het ook wel De Huilende Heuvel, omdat er vanuit het kasteel altijd een stroompje water naar beneden liep. Ook als het al weken niet geregend had. Omdat er een grote muur omheen stond, kon je alleen de torens zien. Iedereen wist dat in het kasteel een kleine prinses moest wonen, maar niemand had haar ooit gezien. Zoals ik al zei, was het een groot kasteel, met wel 180 verschillende ruimtes en nog véél meer deuren. Sommige gangen telden wel 20 deuren naast elkaar en van de ene kamer kon je weer naar de andere. Eigenlijk was het net een doolhof. Een mooiere plek om verstoppertje te spelen was er bijna niet. Als er tenminste kinderen waren om mee te spelen. En die waren er niet.

Hier, in dit enorme kasteel, woonde Lavande. Toen ze nog boven in de hemel was, had ze de hoop uitgesproken dat ze in een dorp als jongetje geboren zou worden. Dat wilde ze graag, ze hield van gezelligheid. En als jongen kon ze lekker ravotten. Toen op haar geboortedag de ooievaar haar kwam halen, was ze opgetogen. Dit was haar grote dag! Ze gaf haar vriendjes in de hemel een knuffel, kuste de engelen gedag en sprong op de rug van de ooievaar. Ze zwaaide net zolang totdat ze niemand meer zag en suisde naar beneden. Wat een heerlijk gevoel… Tijdens het vliegen vertelde Bilbo – want zo heette de ooievaar – over zijn leven als babybrenger. Hij vloog af en aan en bracht ze over de hele wereld. Ieder dag weer haalde hij baby’s op uit de hemel en vloog ze naar hun plek van bestemming. De reisbestemming voor nu was een mooi dorp in het zuiden van Frankrijk, bij een houthakker en zijn vrouw. Dit zou hun tweede kindje worden.

Alles leek in kannen en kruiken. En toen gebeurde het: de ooievaar botste bijna op een groep ganzen. Hij kon ze nog net ontwijken, maar nam zó’n scherpe bocht dat Lavande wankelde en viel. Ze tuimelde, draaide en schoot naar beneden, recht op een kasteel af. En plof, daar lag ze. In de armen van de koningin. Het prinsesje, want dat was zij nu, keek hevig geschrokken om zich heen. Wat zij zag waren muren en nog eens muren. Ze wilde hier niet zijn, ze wilde naar het dorp. Dit was een vergissing, dit was te vroeg! 'Wat is ze mooi…', hoorde ze haar mama zeggen. Het prinsesje schrok opnieuw. Ze??? ZIJ had een JONGEN willen zijn! In paniek keek ze rond. Maar het lot had beslist. Ze werd Lavande genoemd, naar de prachtige lavendelvelden rond het kasteel.

Nu zou je zeggen: ‘Wat een geluk, om als prinsesje geboren te worden!’ Maar zo voelde dat niet voor de opgroeiende Lavande. Een kasteel mag dan machtig zijn om in te wonen, gezellig vond ze het niet. Er waren geen andere kinderen. Tenminste, niet in het kasteel waar ZIJ woonde. En ze snapte niets van al die kamers. Iedere dag opnieuw was ze de weg kwijt. Soms aten ze hier, dan weer daar. De ene keer sliep ze in de ene kamer, dan weer in de andere. Haar mama, de koningin, hield van veranderen. Dus iedere keer als Lavande DACHT dat ze het begreep, was alles weer anders. En wist ze wéér niet hoe het zat. Bovendien was mama altijd druk bezig. Waarmee wist ze niet zo goed. Misschien wist mama dat zelf ook niet zo goed. Papa, de koning, had het zelfs nóg drukker. Hij ging vaak weg en soms nam hij haar mee. Maar ook dan zat ze, net als bij mama, in een hoekje te spelen. Want papa was, net als mama, altijd en overal bezig. Alleen níet met haar.

Lavande rende door de gang en luisterde naar haar galmende voetstappen. Ze stormde een stenen trap op en nog één en nog één. Tot ze in de hoogste torenkamer stond. En, zoals ze iedere dag deed, hing ze naar buiten en snoof de frisse berglucht naar binnen. En zoals ook elke dag wéér gebeurde, stroomden de tranen over haar wangen. Lavande huilde en huilde, diep vanuit haar buik. In stroompjes liepen haar tranen langs de torenmuur. Zóveel tranen had zij, dat onderaan de toren een beekje ontstond en haar tranen van de heuvel naar beneden stroomden. Terwijl haar handen zich om de grijze stenen klemden, keek ze verdrietig in de verte. Daar, verderop, was het dorp. Daar was de gezelligheid, daar waren de kinderen en daar was muziek. Er werd gelachen, gezongen en gedanst. Als de wind haar kant op stond, kon ze dat horen. En als ze dat hoorde, kon ze het verlangen van binnen voelen branden. Het verlangen om daar bij te zijn, samen te zijn. Het verlangen anderen om zich heen te voelen. Ze met haar handen aan te raken, met haar lijf hun warmte te voelen. Hand in hand in de kring te dansen, terwijl hun stemmen samenvloeiden tot een lied.

Van tijd tot tijd liep ze met haar vader door het dorp. Dan mocht ze mee als hij wat nodig had. Haar vader was echter een streng man en ze moest dicht bij hem blijven. Om geen aandacht te trekken, droeg ze een bruine, onopvallende cape. Maar als ze dan buiten op hem moest wachten en ze zat zo lang in een hoekje op een steen, keek ze haar ogen uit. Kinderen speelden en lachten en werden door hun papa’s en mama’s geknuffeld en opgetild. De mensen liepen in vodden, maar iedereen leek blij. Ook op deze momenten brandde het verlangen in haar. ‘Ik wil OOK spelen’, dacht Lavande. ‘En ik wil OOK bij een papa en mama wegkruipen’. Dikke tranen drupten over haar wangen en spatten op de steen uiteen. Hoe kon het toch dat haar ouders haar niet knuffelden? Haar niet lieten spelen in het dorp? Niet zagen dat haar wereld groter was dan het kasteel? Al die jaren had zij alleen gespeeld en had zij mama en papa als een schaduw gevolgd. Maar met de dag werd zij zich méér bewust van buiten. De enorme velden met bloemen, die haar lokten met hun geur. Het dorp dat haar betoverde met zijn vreugde en plezier. En in plaats van door de gangen van het kasteel zou ze willen rennen tussen de wuivende bomen verderop.

Lavande voelde zich opgesloten en in en in alleen. Gevangen tussen dikke muren, die veiligheid zouden moeten bieden. Terwijl ze juist altijd en eeuwig de weg kwijt was, hevig in paniek, omdat niemand haar hoorde of helpen kon. Iedere dag was een nieuwe strijd. Lavande voelde zich verdrietig en moe. Triest over haar tragische lot, dat ervoor had gezorgd dat zij HIER geboren was. De volgende ochtend, de zon liet haar gezicht al zien, struinde Lavande door de binnentuin. Gek als mama kennelijk was op verdwalen, had zij ook hier een doolhof aan laten leggen. Slenterend tussen de heggetjes, broedde Lavande op een plan. Zij dacht en dacht, haar glimlach werd al groter. En in het midden aangekomen, was haar plan geboren. Morgen ging papa weer op reis en mama lette toch niet op haar. Ze wist nog goed wat de ooievaar tegen haar had gezegd onderweg: 'Onthoud goed, m’n kind: als de nood het hoogst is, is de ooievaar nabij. Roep me als je me nodig hebt!' Ineens herinnerde ze zich dit weer. De ooievaar kon haar meenemen, óver de muren heen, naar het dorp. Daar lag haar geluk. Ze voelde zich moe van het iedere dag verdrietig zijn. Ze wilde vrolijk zijn en blij. En iedereen knuffelen, zodat haar hart zou tintelen!

Als ze dat durfde tenminste. Want gewoon was dat niet voor haar. Ze was het niet gewend om aan te raken, om zo dichtbij te zijn. Huilen kon ze ontzettend goed, maar lachen moest ze nog leren. Maar misschien ging dat wel vanzelf, als ze zich vrolijk voelde. En wie weet dansten ook haar voeten vanzelf op het ritme van de muziek. Ze was zenuwachtig in haar buik. Over een paar dagen was er ’s middags een groot feest in het dorp. Op dat moment zou zij de ooievaar roepen. En zou zij voor het eerst van haar leven haar verlangen volgen.

Na een paar woelige nachtjes slapen was het zover. Toen hij wegging, had papa haar een kus gegeven en gezegd: 'Gedraag je, Lavande, wees lief voor mama. Tot over een week.' Mama had wat afwezig gekeken, net als Lavande gewend om alleen te zijn. Lavande wist zeker dat mama van haar hield. En toch leefde mama in haar eigen wereld. Ze was er wel en toch ook weer niet.

’s Middags, na het eten, trok de koningin zich terug achter haar spinnewiel. Lavande sloop de keuken uit, rende de gang door en stopte. Verkeerde deur. Na nog 10 deuren geopend te hebben, had ze de juiste en ze haastte zich de tuin in. Even later – ze had heel goed geoefend – stond ze in het midden van het doolhof. Ze keek omhoog, maakte van haar handen een toeter en riep zo hard als ze kon: 'Bil-boo!!' Even wachtte ze. Ze zag of hoorde niets. Nog maar eens: 'Bil-boooo!!!!' Nog steeds geen teken van Bilbo. Lavande zakte op haar knieën en staarde verdrietig naar de grond. Met een afwezige blik tekende ze bloemen in het zand. Bilbo zat vast aan de andere kant van de wereld. Of in de hemel. Maar allebei was zo ver weg, dat hij háár natuurlijk niet horen kon. Net toen ze besloot maar weer naar binnen te gaan, hoorde ze het klappen van vleugels. Met een ruk keek ze omhoog. Haar adem stokte: daar kwam Bilbo!! Ze sprong overeind, begon te zwaaien en lachte van oor tot oor. Ze draaide een paar rondjes van vreugde, sprong van haar ene op haar andere been. Ze ging vliegen, naar het dorp!

Bilbo streek neer en schudde zijn veren. 'Bilbo, je bent ‘r!', riep Lavande blij verbaasd. Hij bekeek haar van top tot teen en glimlachte. 'Ik zie dat je groot geworden bent. Een ehm... echte prinses.' Lavande sloeg haar ogen neer. 'Ik weet ‘t', vervolgde Bilbo, 'je wilde geen prinses zijn. Je wilde de zoon zijn van de houthakker in het dorp. En dat was ook de bedoeling. Alleen liep het een tikkeltje anders.' Hij was even stil, licht beschaamd. 'Het spijt me echt heel erg, van die bijna-botsing, waardoor jij viel. En dat jij daardoor niet daar, maar hier geboren bent. Hier in dit kasteel. Je geboorte kan ik helaas niet terugdraaien. Maar ik zou ALLES willen doen om het goed te maken. Zeg me wat je het liefste wilt, Lavande, en ik doe het voor je.' Bilbo’s woorden raakten Lavande’s verdriet, maar verzachtten dit ook meteen. Het was of haar verdriet een beetje smolt, alsof het kleiner werd en kromp. Ze zuchtte. 'Het is goed, Bilbo, je bent niet expres bijna tegen de ganzen aan gevlogen.' Ook Bilbo zuchtte nu opgelucht, blij dat hij zijn schuldgevoel kon loslaten.

'Ik zal je vertellen wat ik wil, Bilbo’, zei Lavande zachtjes, 'luister, ik heb een plan.' Ze vertelde over het feest in het dorp en over haar grote wens om daarbij te zijn. Tussen de mensen, hand in hand met de kinderen uit het dorp. Ze wilde lachen, feesten, dansen en zingen. Bilbo keek naar Lavande’s ogen, die gloeiden van verlangen. 'Als DIT is wat jij wilt, dan gaan we daar NU heen!', zei Bilbo vastberaden. Lavande nestelde zich op Bilbo’s rug, klaar voor haar grote avontuur. Bilbo klapperde een paar keer flink met zijn vleugels en zoef, daar gingen ze! Over de muren van het kasteel, langs de heuvel naar beneden. De geur van lavendel mengde zich met de geur van de kampvuren in het dorp. Het maakte haar duizelig van geluk. Steeds beter kon ze de muziek en stemmen horen, meegedragen door de wind. Haar verdriet was veranderd in kriebels. Dit was haar eerste feest!

Aan de rand van het dorp zette Bilbo haar neer. Hij keek naar het kasteel, dat in de verte op de heuvel stond. 'Op deze plek kom ik je ook weer halen, Lavande, als de zon boven de hoogste toren staat. Geniet van je feest, met volle teugen. Dit is JOUW dag. Luister naar je hart en doe ALLES dat jou blij maakt!' Lavande knikte vol spanning en gaf hem een kus. 'Dankjewel Bilbo, tot straks!', zei ze zacht en begon te lopen naar de plek waar de muziek vandaan kwam. Zoals altijd als zij hier was, droeg zij over haar mooie jurk haar bruine cape. Zo viel zij niet op tussen de arme mensen. Van onder haar capuchon keek ze om zich heen. Wat waren deze huizen klein in vergelijking met het kasteel waar zij woonde. De kinderen liepen in bruine kleren, heel anders dan háár kleurige jurken. Hun haren waren stoffig, hun gezichten vies. Maar allemaal renden ze lachend rond, opgewonden door het feest. Op een open plek was een groot vuur aangestoken. Mannen en vrouwen maakten muziek en zongen uit volle borst. Kinderen dansten in een kring rond het vuur. Lavande stond er stil naar te kijken. Wat vond ze dit mooi, wat was dit bijzonder!

'Waarom doe JIJ niet mee?' Lavande keek verschrikt op, recht in een paar ondeugende jongensogen. 'Ik ehm... stond gewoon even te kijken', stamelde ze verlegen. De jongen greep haar arm en trok haar mee. 'Kom, dans met ons mee!' Lavande stribbelde tegen: 'Nee, niet doen, ik kan niet dansen!', riep ze in paniek. De jongen draaide zich om en keek haar verbaasd aan. 'KAN niet dansen? Heb jij nog NOOIT gedanst dan??' Lavande voelde tranen in haar ogen opkomen. 'Nee' zei ze nauwelijks hoorbaar, 'ik heb nog nooit gedanst...' De jongen keek haar vol ongeloof aan. 'O', zei hij, niet wetend wat nu te doen. 'Nou', zei hij, toen hij zijn stem weer terugvond, 'dan LEER ik je toch dansen?!' Hij pakte haar hand. 'Kom, vertrouw me, dansen is leuk!' Ze hield zijn hand stevig vast, terwijl ze hem volgde naar het vuur. De muziek werd steeds luider. 'Vind je de muziek mooi?', vroeg de jongen. 'Ja!', zei Lavande, 'het maakt me vrolijk en blij!' De jongen lachte. 'Als je goed luistert, hoor je het ritme. En als je dat ritme voelt in je buik, dan dansen je voeten eigenlijk vanzelf!' Hij trok haar mee de kring in. De warmte van het vuur gaf haar rode wangen. En door het dansen en springen zakte haar capuchon van haar hoofd, waardoor haar vlechten met haar mee bewogen.

Wat de jongen zei, was waar. Ze werd één met de muziek en haar voeten bewogen vanzelf. Heen en weer in de kring, dansend in een roes. 'Ik heb ‘t heet!', riep ze naar de jongen. 'Ja, nogal wiedes!', riep hij, 'je staat naast het vuur en je hebt je cape nog aan!' Lavande schrok. Als zij haar cape uit deed, zouden ze haar afkomst zien. Haar dure jurk zou afsteken tegen de vodden van de mensen om haar heen. Ze zouden schrikken, haar negeren om wie zij was. Een paar jongens botsten tegen haar aan en voor ze het wist, lag haar cape op de grond. Lavande’s hart stond stil. De jongen voelde hoe ze zijn hand fijn kneep en keek haar kant op. En keek nog eens, met ogen die zowat zijn hoofd uit rolden. Naast hem stond een meisje met de mooiste kleding die hij ooit had gezien. Niemand die HIJ kende, kon dit betalen. Hoe kon dit… Zijn woorden stokten, de muziek viel stil. Mensen gaapten haar aan, verwonderd door wat zij zagen. Lavande wilde vluchten, maar haar benen leken verlamd.

'Wie ben jij?', vroeg de jongen, namens zichzelf en iedereen die daar stond. Lavande beet op haar lip. 'Ik ben Lavande en ik woon dáár', zei ze verlegen, terwijl ze wees naar het kasteel. De mond van de jongen viel open. 'Ben jij een prinses??' Lavande knikte en keek hem verdrietig aan. Iedereen was stil. 'Maar waarom ben je dan HIER?', vroeg hij weer, nog altijd ondersteboven. 'Omdat ik DAAR niet gelukkig ben!!', riep Lavande snikkend uit. 'Ik WIL helemaal geen prinses zijn. Ik wilde niet eens een MEISJE zijn!' En waar iedereen bij stond, begon ze hartverscheurend te huilen. Eén van de vrouwen die net nog muziek maakte, legde haar instrument neer en stapte op Lavande af. Ze sloeg haar armen om Lavande heen en trok haar troostend tegen zich aan. Ze zei niets, totdat Lavande uitgesnikt was. Toen veegde ze zachtjes met haar mouw Lavande’s wangen droog. 'M’n lieve kind', zei ze zachtjes, 'je mag hier ALTIJD komen spelen.' Lavande knipperde met haar vochtige ogen. 'Weet u, ik ben helemaal niet gewend om samen te spelen. Ik speel altijd alleen.' De vrouw glimlachte bemoedigend. 'De kinderen zullen het je leren. Samen zullen jullie plezier hebben.' 'En mijn jurk dan?', vroeg Lavande bedremmeld. 'Als die vies wordt, wordt mama misschien boos.' De vrouw schudde haar hoofd. 'Ik heb nog wel een oude jurk, dan doe je die maar aan als je komt. Dan kun je lekker ravotten. En als je weer teruggaat, trek je gewoon je mooie jurk weer aan.'

Lavande zuchtte opgelucht, haar tranen waren verdwenen. Ze keek om zich heen in de kring. Wat ze zag, waren blikken vol liefde en begrip. Ze voelde zich blij en dankbaar in haar buik. Thuis zou ze met papa en mama praten. En dan mocht ze hier misschien wel vaker naartoe. Of de kinderen konden bij háár komen spelen in het kasteel! De muziek begon weer en het feest ging door. Lavande danste en stampte, klapte en zong. Hand in hand met de kinderen, zwierend in de kring. Eén met de anderen, opgaand in de muziek. Hier had ze zó naar verlangd, ze zweefde van geluk. Opeens trok
de jongen die haar hier naartoe had meegenomen aan haar hand. 'Kom!', riep hij, 'ik laat je zien waar ik woon!' Samen renden ze weg van het vuur. Lavande keek naar het kasteel. Nog even en de zon stond boven de toren. Bij één van de laatste huisjes, aan de rand van het bos, stopte hij. 'Hier is ’t', zei hij hijgend, 'hier woon ik'. Lavande keek rond. Wat ze zag, was een klein, maar heel knus huisje. Uit de houten deur was een hart gebeiteld. 'Wat mooi!', zei Lavande, wijzend naar het hart. De jongen knikte driftig. 'Ja, dat kan mijn vader wel. Die maakt de mooiste dingen van hout. ALLES wat je verzinnen kunt, dat maakt hij.' Lavande’s oog viel op het hakblok naast het huis. 'Ja, eigenlijk is mijn vader houthakker', zei de jongen weer. 'Maar dit kan hij ook heel goed, net als mijn broer.' Lavande’s mond viel open. Houthakker? Ze keek nog eens goed naar de jongen die naast haar stond. Hij was even oud als zij. ‘Als er toen geen bijna-botsing was geweest, dan was ik nu JOU geweest...’, dacht ze beduusd. ‘Dan had IK nu hier gewoond en een grote broer gehad.’

'En, hoe is ’t om in een kasteel te wonen?', vroeg de jongen nieuwsgierig. Lavande keek ernstig. 'Als je alleen bent, dan is dat NIET leuk. Het is ontzettend groot van binnen, met héél veel kamers.' De jongen knikte. 'En ik ben bijna iedere dag de weg kwijt', voegde Lavande er aan toe. 'Maar zijn daar geen andere kinderen dan?', vroeg de jongen verbaasd. Lavande schudde haar hoofd. 'O', zei hij, 'goh... En heb je geen broertjes en zusjes dan?', vroeg hij weer. Opnieuw schudde Lavande van nee. 'Jeetje…', zei hij, 'dat is dan wel héél alleen'. Even was het stil. Toen verscheen er een lach op zijn gezicht. 'Maar dan kom IK toch bij je spelen? En als je dat leuk vindt, neem ik mijn vriendjes méé! Dan kunnen we met z’n allen verstoppertje doen!!' Lavande lachte blij. 'Ik zal het vragen aan papa en mama. Ik zou ’t geweldig vinden als je bij me komt. Ook als je je vriendjes meeneemt. En ik zou ook héél graag terugkomen bij jullie. Ik vind het fijn hier, de mensen zijn zó lief!' De zon stond nu praktisch boven de toren.

'Ik moet gaan', zei Lavande, 'maar ik hoop je snel weer te zien. Ik ben blij dat ik je heb leren kennen en ik heb een heerlijke dag gehad!' Ze gaf hem een dikke kus op zijn wang. Hij grijnsde: 'JIJ heet Lavande hè?' 'Ja', zei ze, 'naar de lavendelvelden op de heuvel. En jij?' 'Ik heet Dimini', antwoordde de jongen, 'naar mijn opa, die ook houthakker was.' De vogels tjirpten. 'Mag ik je een knuffel geven?', vroeg hij verlegen. 'Ja natúúrlijk!', lachte Lavande, 'ik dacht dat je het nooit zou vragen!' Lavande zonk weg in haar gevoel, terwijl ze het lichaam van de jongen tegen zich aan gedrukt voelde. Meer samen dan dit kon ze zich bijna niet voorstellen. 'Dankjewel mooie prinses', zei hij, 'tot ik hoop heel gauw!' 'Tot gauw, lieve Dimini', zei Lavande ontroerd, 'dankjewel voor alles!' Ze rende naar de rand van het dorp en zag Bilbo al zitten. 'Je ogen strálen, je hebt het vast heel leuk gehad!', zei hij blij. Lavande lachte breed. 'Bilbo, het was geweldig... Ik heb de dag van mijn leven gehad. Iedereen was lief en het was zó gezellig! Bilbo, ik kan dansen en ik kan zingen. En het is zo héérlijk om SAMEN te zijn.' Lavande’s stem stokte, zo had zij zich nog nooit gevoeld. 'Een mooier cadeau dan dit had ik niet kunnen krijgen, Bilbo. Ik ben zó gelukkig...' Een traan liep over haar wang. Maar nu van vreugde en dankbaarheid. In stilte nagenietend vlogen zij terug.

Dagen later, pas toen papa weer terug was van zijn reis, biechtte Lavande haar grote avontuur op. In geuren en kleuren vertelde ze over haar feest. Over alles dat zij had gedaan en het verlangen dat zij had gevoeld. Tot slot sprak zij haar grootste wens uit: dat ZIJ naar het dorp toe mocht en dat de dorpskinderen mochten spelen bij HAAR. Haar papa en mama hielden lang beraad. Hun dochter bleek anders dan zij hadden gedacht. Toch zagen zij hoe blij ze was. Dus stemden ze toe en haar wens kwam uit. Sindsdien stroomt er geen water meer de heuvel af. Lavande is nu een blije prinses.
Het kasteel is niet langer een kale, lege plek, maar de droom van ieder kind dat daar verstoppertje komt spelen!

Helende Verhalen
Home

© www.mijn-eigen-website.nl (design)